FarmaKaj Logo
STAT

STOP-NL en START-NL criteria

Domeingerichte STOP-NL V2 (versie 2026) als hoofdtekst en START-NL 2020 als historische bijlage: criteria voor mogelijk ongeschikte medicatie en onderbehandeling bij kwetsbare ouderen (≥ 70 jaar), met interactieve zoekfunctie en afbouwadvies per geneesmiddelgroep.
Geen verbodscriteria. Beide instrumenten signaleren situaties waarin de voordelen mogelijk niet langer opwegen tegen de risico's. Weeg per patiënt voor- en nadelen af; overleg bij specialistische medicatie met de voorschrijver vóór je wijzigt. Toepasbaar bij kwetsbare ouderen ≥ 70 jaar.
Status van de bronnen.STOP-NL V2 (vastgesteld 8 december 2025, versie 2026) vervangt de STOP-START-NL 2020. In V2 zijn de START-criteria officieel vervallen: ze sluiten al aan bij Nederlandse beroepsrichtlijnen. De START-NL 2020 staat hieronder als bijlage; gebruik 'm als geheugensteun voor onderbehandeling, niet als levende richtlijn.

Kernpunten

  • STOP-NL V2 is domeingericht (vallen, cognitie, mictie/defecatie, cardiovasculaire belasting, bloeding, levensverwachting), niet meer per geneesmiddelgroep zoals 2020.
  • Toepasbaar bij kwetsbare ouderen ≥ 70 jaar; weeg comorbiditeit en levensverwachting mee.
  • De afbouwadviezen per groep komen uit de NHG-Kennisdocumenten Minderen en stoppen van medicatie; zie de toelichting per geneesmiddelgroep of de snelzoeker hieronder voor het volledige afbouwschema en de aandachtspunten per criterium.
  • Toepasbaar tijdens een medicatiebeoordeling met de apotheker; ook bruikbaar bij een nieuwe klacht (val, verwardheid, obstipatie) als triggerlijst om eerst aan bijwerking of interactie te denken vóór je een middel toevoegt.
  • Therapeutisch doel:
    • geneesmiddelgerelateerde schade verminderen (bijwerkingen, vallen, delier, bloedingen) met behoud van functioneren en kwaliteit van leven.
    • overbehandeling opheffen door middelen zonder actuele indicatie te stoppen of te verlagen.
    • onderbehandeling opheffen door ontbrekende, geïndiceerde middelen te starten (klassieke START-rol; in V2 grotendeels overgegaan naar reguliere NHG-Standaarden en CVRM).

Snel zoeken

Typ een middel (NSAID, tamsulosine), een klacht (vallen, bloeding) of een criteriumnummer (B6). Klik Toelichting voor het afbouwschema en de aandachtspunten uit het bijbehorende Kennisdocument.

STOP-NL en START-NL snelzoeker experimenteel
Bron:
Actie:
85 van 85 criteria zichtbaar. Klik Toelichting voor afbouwschema en aandachtspunten.
STOP-NL V2Algemeen
  • STOP A1Elk geneesmiddel zonder bewijs gebaseerde indicatie

    Stop bij ontbreken van een op bewijs gebaseerde klinische indicatie.

  • STOP A2Elk geneesmiddel buiten behandeldoel

    Stop wanneer het middel niet past bij het behandeldoel van de patiënt.

  • STOP A3Elk geneesmiddel langer dan aanbevolen duur

    Stop wanneer de behandelduur de aanbevolen termijn voor de indicatie overschrijdt.

  • STOP A4Dubbelmedicatie binnen één groep

    Verschillende middelen uit dezelfde geneesmiddelgroep zonder additioneel effect.

STOP-NL V2Vallen
  • STOP B1Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)

    Valrisico door sedatie en balansverslechtering.

  • STOP B2Antipsychotica

    Valrisico door orthostatische hypotensie en sedatie.

  • STOP B3Opioïden

    Valrisico door sedatie en duizeligheid.

  • STOP B4Antidepressiva

    Valrisico via orthostatische hypotensie, sedatie en hyponatriëmie.

  • STOP B5Anti-epileptica

    Valrisico door sedatie en balansstoornissen.

  • STOP B6Diuretica

    Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentie.

  • STOP B7Alfablokkers

    Valrisico via orthostatische hypotensie.

  • STOP B8Centraal werkende antihypertensiva

    Clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.

  • STOP B9Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)

    Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.

  • STOP B10Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningen

    Alfablokkers, nitraten. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.

  • STOP B11Urologische spasmolytica

    Anticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheid.

STOP-NL V2Cognitie
  • STOP C1Antidepressiva

    Met name TCA's en paroxetine; sterke anticholinerge belasting.

  • STOP C2Urologische spasmolytica

    Anticholinerge belasting verergert cognitieve klachten en delier.

  • STOP C3Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)

    Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.

  • STOP C4Antipsychotica

    Verhoogd risico op verslechtering van cognitie en delier.

  • STOP C5Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2)

    Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; controleer via de ACB-calculator.

  • STOP C6Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)

    Verhoogd risico op sedatie, verwardheid en delier.

  • STOP C7Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body)

    Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmers. Bij Parkinson met Lewy body-dementie.

  • STOP C8Opioïden

    Verergering cognitieve stoornissen door sedatie.

  • STOP C9Anti-epileptica

    Verergering cognitieve stoornissen.

  • STOP C10Spierrelaxantia

    Baclofen, dantroleen, tizanidine. Verergering cognitieve stoornissen.

STOP-NL V2Mictie/defecatie
  • STOP D1Lisdiuretica

    Bij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentie (urgency, nycturie).

  • STOP D2Inhalatieparasympathicolytica

    Aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium. Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie.

  • STOP D3Anticholinergica (zie C1-C5)

    Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie.

  • STOP D4Cholinesteraseremmers

    Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij incontinentie.

  • STOP D5Opioïden

    Verhoogd risico op obstipatie en urineretentie.

  • STOP D6Verapamil

    Bij obstipatie.

  • STOP D7IJzerpreparaten

    Bij obstipatie. Overweeg lagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm.

STOP-NL V2Cardiovasculair
  • STOP E1NSAID's

    Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis van vaatlijden.

  • STOP E2Digoxine

    Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere dosering.

  • STOP E3Amiodaron

    Hoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmica.

  • STOP E4Klasse I- en IV-antiaritmica

    Klasse IA/IC: flecainide, kinidine, propafenon. Klasse IV: diltiazem, verapamil. Bij hartfalen of combinatie met bètablokker.

  • STOP E5Fosfodiësterase-5-remmers

    Avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil. Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruik.

  • STOP E6QT-verlengende medicatie

    Zie de tabel QT-verlengende geneesmiddelen.

  • STOP E7Bètablokkers

    Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok.

  • STOP E8Lisdiuretica

    Bij perifeer oedeem zonder hartfalen.

  • STOP E9Cholinesteraseremmers

    Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok.

  • STOP E10Tricyclische antidepressiva

    Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten.

STOP-NL V2Bloeding
  • STOP F1NSAID's of acetylsalicylzuur

    Extra voorzichtig bij combinatie met SSRI's, TAR, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten. Overweeg maagbescherming.

  • STOP F2(Dubbele) antitrombotica zonder indicatie

    Combinatie TAR/anticoagulantia zonder geldige indicatie.

STOP-NL V2Levensverwachting < 1 jaar
  • STOP G1Lipidenverlagende middelen

    Geen direct symptomatisch voordeel.

  • STOP G2Antihypertensiva

    Geen direct symptomatisch voordeel.

  • STOP G3Nitraten

    Bij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen geobjectiveerd coronair lijden.

  • STOP G4Anticoagulantia (VKA's en DOAC's)

    Heroverweeg de preventieve indicatie.

  • STOP G5Trombocytenaggregatieremmers

    Heroverweeg de preventieve indicatie.

  • STOP G6Protonpompremmers en H2-antagonisten

    Wees alert op reboundklachten bij afbouwen.

  • STOP G7Vitamines en mineralen

    Foliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruik.

  • STOP G8Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie

    Bisfosfonaten, calcium/vitamine D.

  • STOP G9Systemische corticosteroïden

    Bij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschreven.

  • STOP G105-alfa-reductaseremmers en alfablokkers

    Bij verblijfskatheter.

  • STOP G11Urologische spasmolytica

    Bij volledige incontinentie.

  • STOP G12Bloedglucoseverlagende middelen

    Heroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachting.

START-NL 2020Cardiovasculair
  • START START-CV-1Cumarine of DOAC

    Bij chronisch atriumfibrilleren. Uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit.

  • START START-CV-2Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor)

    Bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden in sinusritme, indien geen cumarine/DOAC.

  • START START-CV-3Antihypertensivum

    Bij meermalen SBD > 150 mmHg (DBD > 70 mmHg) na onvoldoende leefstijleffect. Bij SBD > 180 direct; bij SBD > 170 + hoog CV-risico twee bloeddrukverlagers tegelijk.

  • START START-CV-4Statine

    Bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting.

  • START START-CV-5ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)

    Bij HFrEF en/of coronaire hartziekte.

  • START START-CV-6Bètablokker

    Na myocardinfarct of bij stabiele angina pectoris.

  • START START-CV-7Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol)

    Bij HFrEF (verminderde linkerventrikelejectiefractie).

START-NL 2020Respiratoir
  • START START-R-1Inhalatiecorticosteroïd (ICS) proefbehandeling

    Bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder. Evalueer na 1 jaar; stop als exacerbaties niet afnemen.

START-NL 2020CZS/ogen
  • START START-CZS-1Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist)

    Bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen.

  • START START-CZS-2Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels

    Bij primair openkamerhoekglaucoom.

  • START START-CZS-3SSRI

    Bij persisterende ernstige angst met functionele beperking. Bij contra-indicatie: SNRI of pregabaline.

  • START START-CZS-4Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine)

    Bij ernstig restless legs syndroom met onacceptabele lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen.

  • START START-CZS-5SSRI

    Ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit.

  • START START-CZS-6Antidepressivum-voorkeur

    Bij indicatie: SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline). Bij TCA-keuze: nortriptyline (minst anticholinerg).

START-NL 2020Gastro-intestinaal
  • START START-GI-1Protonpompremmer

    Bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is.

  • START START-GI-2aProtonpompremmer

    Bij NSAID-gebruikers (maagbescherming).

  • START START-GI-2bProtonpompremmer bij ASA-gebruikers

    Bij 70-80 jaar mét comedicatie (cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine, trazodon) of bij > 80 jaar.

  • START START-GI-3Vezelsupplement of macrogol

    Bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie.

START-NL 2020Bewegingsapparaat
  • START START-BW-1Bisfosfonaat + vitamine D + calcium

    Bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent).

  • START START-BW-2Vitamine D en calcium

    Bij osteoporose, tenzij voldoende inname.

  • START START-BW-3Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide

    Bij gedocumenteerde osteoporose (T-score ≤ -2,5).

  • START START-BW-4Xanthineoxidaseremmer (allopurinol)

    Bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi.

  • START START-BW-5Foliumzuur

    Bij methotrexaatgebruik.

START-NL 2020Endocrien
  • START START-EN-1ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)

    Bij diabetes mellitus met nierschade (microalbuminurie > 30 mg/24h; eventueel met eGFR < 50 ml/min). Pas dosering aan bij verminderde nierfunctie.

START-NL 2020Urogenitaal
  • START START-UG-1Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer

    Bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst.

  • START START-UG-2Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium

    Bij symptomatische atrofische vaginitis. Monitor elke 6 maanden op staken.

START-NL 2020Analgetica
  • START START-AN-1Sterkwerkend opioïd (geen methadon)

    Alleen bij ernstige pijn, korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis.

  • START START-AN-2Kortwerkend opioïd

    Bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn.

  • START START-AN-3Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide)

    Bij opioïdgebruik.

Bron: STOP-NL V2 (NHG, KNMP, SIR, Ephor; dec 2025) en START-NL 2020 (officieel vervallen in V2; behouden als geheugensteun). Afbouwadviezen uit de NHG-Kennisdocumenten "Minderen en stoppen van medicatie". Geen verbodscriteria; weeg per patiënt voor- en nadelen af. Voor kwetsbare ouderen ≥ 70 jaar.

STOP-NL V2 (versie 2026)

Bron: STOP-NL V2 instrument (NHG, KNMP, SIR, Ephor; dec 2025). De kolom Afbouw vat het NHG-Kennisdocument samen; de toelichting per geneesmiddelgroep en de snelzoeker hierboven geven het volledige schema en de aandachtspunten.

A. Stoppen algemeen

Overweeg het stoppen van:

Nr.Geneesmiddel
A1Elk geneesmiddel zonder een op bewijs gebaseerde klinische indicatie
A2Elk geneesmiddel dat niet past bij het behandeldoel van de patiënt
A3Elk geneesmiddel langer dan de aanbevolen duur voor de indicatie
A4Dubbelmedicatie (verschillende middelen uit dezelfde groep zonder meerwaarde)

B. Vallen

Genoemde groepen verhogen het valrisico via (orthostatische) hypotensie, balansverslechtering of sedatie.

Nr.GeneesmiddelgroepWanneer / waaromAfbouw
B1Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)Valrisico door sedatie en balansverslechteringBij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week, laatste weken 12,5%
B2AntipsychoticaValrisico door orthostatische hypotensie en sedatieIn stappen: -25% per 1-2 weken; depot mag direct stoppen
B3OpioïdenValrisico door sedatie en duizeligheidBij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week, eerst kortwerkend
B4AntidepressivaValrisico via orthostase, sedatie en hyponatriëmieNooit abrupt, in ≥ 2-4 weken; fluoxetine mag in 1 keer
B5Anti-epilepticaValrisico door sedatie en balansstoornissenStapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog
B6DiureticaBij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentieBij dehydratie + nierfunctieverlies acuut staken (mits geen hartfalen)
B7AlfablokkersValrisico via orthostatische hypotensieMag in 1 keer; bij combinatie eerst de alfablokker stoppen
B8Centraal werkende antihypertensivaClonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheidStapsgewijs, let op reboundhypertensie
B9Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen)Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazineOp indicatie; geen apart afbouwschema
B10Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningenAlfablokkers, nitraten; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheidOp indicatie; geen apart afbouwschema
B11Urologische spasmolyticaAnticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheidMag in 1 keer (geen afbouwprocedure)

C. Verminderde cognitieve functies

Overweeg stoppen bij cognitieve achteruitgang, sufheid/sedatie of delier.

Nr.GeneesmiddelgroepWanneer / waaromAfbouw
C1AntidepressivaVooral TCA's en paroxetine (anticholinerg)Nooit abrupt, ≥ 2-4 weken; nortriptyline = minst anticholinerg
C2Urologische spasmolyticaAnticholinerge belasting verergert cognitie en delierMag in 1 keer; bij blijvende hinder mirabegron overwegen
C3Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen)Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine; 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizineOp indicatie; geen apart afbouwschema
C4AntipsychoticaVerslechtering van cognitie en delierIn stappen -25% per 1-2 weken; bij psychiater overleggen
C5Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2)Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; bereken via de ACB-calculatorStop/verlaag het zwaarst belastende middel eerst
C6Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)Sedatie, verwardheid, delierBij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week
C7Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body)Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmersI.o.m. neuroloog; stapsgewijs
C8OpioïdenVerergering cognitie door sedatieBij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week
C9Anti-epilepticaVerergering cognitieStapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog
C10SpierrelaxantiaBaclofen, dantroleen, tizanidine; verergering cognitieve stoornissenStapsgewijs (onttrekking mogelijk)

D. Mictie- en defecatieproblemen

Genoemde middelen kunnen urineretentie, incontinentie of obstipatie veroorzaken. Overweeg een alternatief of staken bij mictie- of defecatieproblemen.

Nr.Geneesmiddel(groep)Wanneer / waaromAfbouw
D1LisdiureticaBij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentieOp indicatie; bij dehydratie acuut staken (mits geen hartfalen)
D2Inhalatieparasympathicolytica (aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium)Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatieOp indicatie; overweeg alternatieve luchtwegverwijder
D3Anticholinergica (zie ook C1 t/m C5)Bij urineretentie, prostatisme of obstipatieZie het betreffende criterium hierboven
D4Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine)Bij incontinentieStapsgewijs; herstart bij verslechtering cognitie
D5OpioïdenBij obstipatie of urineretentieBij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week; geef laxans
D6VerapamilBij obstipatieStapsgewijs als antihypertensivum; anders op indicatie
D7IJzerpreparatenBij obstipatieLagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm overwegen

E. Cardiovasculaire belasting

Hogere kans op cardiovasculaire bijwerkingen, ritme- of elektrolytstoornissen.

Nr.Geneesmiddel(groep)Wanneer / waaromAfbouw
E1NSAID'sBij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis vaatlijdenOp indicatie staken
E2DigoxineBij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere doseringOp indicatie; controleer spiegel/nierfunctie
E3AmiodaronHoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmicaLange halfwaardetijd; effect houdt weken aan
E4Klasse I- en IV-antiaritmica (flecainide, kinidine, propafenon; diltiazem, verapamil)Bij hartfalen of combinatie met bètablokker (klasse IV)Op indicatie; overleg cardioloog
E5Fosfodiësterase-5-remmers (avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil)Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruikMag in 1 keer
E6QT-verlengende medicatieZie de tabel QT-verlengende geneesmiddelenOp indicatie; controleer ECG/elektrolyten
E7BètablokkersBij bradycardie (< 50/min) of AV-blokAltijd stapsgewijs (rebound-tachycardie/tremor)
E8LisdiureticaBij perifeer oedeem zonder hartfalenOp indicatie; let op herstel oedeem
E9Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine)Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blokStapsgewijs
E10Tricyclische antidepressivaBij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziektenNooit abrupt: 25 mg per 2 weken

F. Bloedingsrisico

Verhoogd risico op (maag)bloedingen.

Nr.GeneesmiddelWanneer / waaromAfbouw
F1NSAID's of acetylsalicylzuurExtra voorzichtig met SSRI's, trombocytenaggregatieremmers, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten; overweeg maagbeschermingMag in 1 keer; weeg cardiovasculaire indicatie van ASA mee
F2(Dubbele) antitrombotica zonder indicatieCombinatie trombocytenaggregatieremmers/anticoagulantia zonder geldige indicatieMag in 1 keer; let op verhoogd trombo-embolisch risico na staken

G. Geringe resterende levensverwachting (< 1 jaar)

Overweeg te stoppen met preventieve medicatie zonder direct symptomatisch voordeel. Kwaliteit van leven staat voorop; staken mag niet leiden tot discomfort. Raadpleeg ook de Pallialine-richtlijnen.

Nr.GeneesmiddelgroepWanneer / waaromAfbouw
G1Lipidenverlagende middelenGeen direct symptomatisch voordeelMag in 1 keer
G2AntihypertensivaGeen direct symptomatisch voordeelMax 1 middel tegelijk; bètablokker stapsgewijs
G3NitratenBij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen coronair lijdenStapsgewijs bij langdurig gebruik
G4Anticoagulantia (VKA's en DOAC's)Heroverweeg de preventieve indicatieMag in 1 keer; niet bij hoog trombo-embolisch risico
G5TrombocytenaggregatieremmersHeroverweeg de preventieve indicatieMag in 1 keer; CV-risico stijgt eerste 30 dagen na staken (na PCI)
G6Protonpompremmers en H2-antagonistenWees alert op rebound (zuurklachten, eerste 2-4 weken)Halveer wekelijks tot 1 dd halve dosis, stop daarna
G7Vitamines en mineralenFoliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruikMag in 1 keer
G8Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventieBisfosfonaten, calcium/vitamine DOraal bisfosfonaat mag in 1 keer (resteffect); denosumab niet zonder nabehandeling
G9Systemische corticosteroïdenBij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschrevenStapsgewijs (bijnierschorsinsufficiëntie)
G105-alfa-reductaseremmers en alfablokkersBij verblijfskatheterMag in 1 keer
G11Urologische spasmolyticaBij volledige incontinentieMag in 1 keer
G12Bloedglucoseverlagende middelenHeroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachtingOraal mag in 1 keer of afbouwen; behoud SGLT-2/GLP-1 bij hartfalen/nierschade

Toelichting per geneesmiddelgroep

Verdieping bij de STOP-NL V2-domeintabellen hierboven: per geneesmiddelgroep het waarom, het afbouwschema en de aandachtspunten uit de NHG-Kennisdocumenten Minderen en stoppen van medicatie. Dezelfde inhoud zit achter de knop Toelichting in de snelzoeker. Alleen groepen met een eigen Kennisdocument staan hier; toepasbaar bij kwetsbare ouderen ≥ 70 jaar, weeg per patiënt voor- en nadelen af.

Benzodiazepinen

Criteria: B1, C6. Bron: Kennisdocument benzodiazepinen.

  • Waarom minderen/stoppen: verhoogd valrisico (≈ 50% hogere valneiging, heupfractuur ~+30%) en cognitieve achteruitgang (anterograde amnesie, verwardheid); tolerantie en beperkte langetermijneffectiviteit.
  • Afbouw: bij gebruik > 1 maand niet abrupt: verlaag wekelijks met 25% van de uitgangsdosis, laatste 2 weken eventueel 12,5%/week. Totale afbouw hoeft niet langer dan 3 maanden. Kortdurend gebruik (< 1 maand) bij slapeloosheid mag abrupt; bij angst af in 1 week.
  • Let op: onttrekking (angst, prikkelbaarheid, slaapstoornis; ernstig: tremor, delirium, convulsies). Rebound-slapeloosheid 1-2 nachten. Evalueer elke 2-4 weken; bij hevige onttrekking afbouwstap een week uitstellen, dosis niet verhogen. Niet stoppen bij epilepsie, spierspasmen, psychose of palliatieve fase.

Antipsychotica

Criteria: B2, C4. Bron: Kennisdocument antipsychotica.

  • Waarom minderen/stoppen: beperkt/onbewezen effect op probleemgedrag bij dementie; verhoogd risico op beroerte en mortaliteit, vallen, orthostase, sedatie, extrapiramidale en anticholinerge bijwerkingen.
  • Afbouw: in stappen: 25% dosisverlaging elke 1-2 weken, of 50% elke 2 weken, tot de laagste doseereenheid. Bij onttrekking terug naar de vorige stap en tempo halveren. Depotpreparaten mogen zonder afbouw gestopt.
  • Let op: onttrekking (misselijkheid, duizeligheid, rusteloosheid, agitatie, motorische stoornissen) bij 37-70% na abrupt staken. Rebound: probleemgedrag/slapeloosheid komt heftiger terug. Niet stoppen bij ernstig probleemgedrag of psychotische kenmerken bij dementie. Door psychiater voorgeschreven: altijd overleggen.

Opioïden

Criteria: B3, C8, D5. Bron: Kennisdocument opioïden.

  • Waarom minderen/stoppen: bij chronische niet-kankerpijn nauwelijks effectief; sufheid/duizeligheid (valrisico), cognitieve achteruitgang/delier, obstipatie, hyperalgesie, verslaving. Fractuurrisico fors verhoogd (alle fracturen +88%, heupfractuur +100%); dosis ≥ 90 mg morfine-equivalent verhoogt mortaliteit.
  • Afbouw: nooit abrupt bij gebruik ≥ 4 weken. Snel: -20-25%/week; langzaam: -10-15%/week. Bij kwetsbare ouderen voorkeur langzaam (elke week -10-25%). Bouw eerst het kortwerkende, dan het langwerkende opioïd af. Bij hyperalgesie kan de dosis -50%.
  • Let op: onttrekking (onrust, spierpijn, tranende ogen, loopneus, misselijkheid, diarree, zweten): kortwerkend binnen uren (piek dag 4), langwerkend start dag 2-4 (max ~10 dagen). Ouderen ernstiger beloop. Symptoombehandeling: loperamide, clonidine, metoclopramide; vermijd benzodiazepinen.

Antidepressiva

Criteria: B4, C1, E10. Bron: Kennisdocument antidepressiva.

  • Waarom minderen/stoppen: beperkte effectiviteit bij ouderen ≥ 70 jaar (SSRI geen significant effect vs placebo bij milde/matige depressie); TCA-anticholinerg, orthostase, hyponatriëmie, valrisico. Bij dementie elke 3 maanden evalueren.
  • Afbouw: altijd in stappen, nooit abrupt: regulier ≥ 2-4 weken; trager hyperbool (stap ≥ 1 week) bij risicofactoren voor onttrekking. TCA: 25 mg per 2 weken. Fluoxetine 20 mg mag in één keer (lange halfwaardetijd). MAO-remmers alleen i.o.m. psychiater.
  • Let op: onttrekking (FINISH-symptomen): binnen dagen, meestal mild, weg binnen weken. Terugval/recidief ontstaat geleidelijker (> 1 week na afbouw). Niet stoppen bij therapieresistente depressie, andere psychiatrische indicatie of eerdere mislukte stoppoging. Nortriptyline = voorkeur-TCA; sertraline/citalopram = voorkeur-SSRI.

Anti-epileptica

Criteria: B5, C9. Bron: Kennisdocument anti-epileptica.

  • Waarom minderen/stoppen: ouderen gevoeliger voor bijwerkingen: sufheid, valrisico (OR 3-4,7 voor herhaald vallen), osteoporose/fracturen (enzyminductie), hyponatriëmie, tremor, cognitieve achteruitgang. Verminderde nier-/leverfunctie geeft hogere spiegels.
  • Afbouw: altijd stapsgewijs, kleine stappen per week. Neuropathische pijn en migraine: in 2-8 weken. Epilepsie: minimaal 2-3 maanden (i.o.m. neuroloog); fenobarbital/barbituraten minimaal 6 maanden. Geen abrupt staken.
  • Let op: onttrekking vaak binnen 48 uur (slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid, griepachtig, nervositeit). Te snel stoppen kan aanvallen uitlokken; bij aanval afbouw direct staken en terug naar de vorige effectieve dosering. Niet stoppen bij epilepsie ontstaan op hogere leeftijd (recidiefkans 47-93%). Psychiatrische indicatie: voorschrijver betrekken.

Bloeddrukverlagende middelen

Criteria: B6, B8, D1, E7, E8, G2. Bron: Kennisdocument bloeddrukverlagende middelen 2026.

  • Waarom minderen/stoppen: DBD < 70 mmHg verhoogt cardiale events en mortaliteit; orthostatische hypotensie bij 25-30% van de 70-plussers op antihypertensiva (val/fractuur). Bij SBD < 130 mmHg met ≥ 2 middelen geen winst, wel hogere mortaliteit (HR 1,81).
  • Afbouw: maximaal 1 middel per keer. Bètablokkers altijd stapsgewijs (rebound-tachycardie/tremor); andere antihypertensiva mogen abrupt of stapsgewijs (-25-50% per stap tot de startdosering). Bij (dreigende) dehydratie + verminderde nierfunctie diuretica acuut staken (mits geen hartfalen).
  • Let op: monitor SBD (< 180) en DBD (< 110). Rebound: reboundhypertensie (RAAS/alfablokkers), tachycardie/tremor (bètablokkers), verergering hartfalen/oedeem (diuretica). Evalueer 2-4 weken na stop. Niet stoppen bij andere indicatie dan hypertensie (angina, hartfalen, post-MI, post-CVA, AF, albuminurie).

Alfablokkers en 5-alfareductaseremmers

Criteria: B7, G10. Bron: Kennisdocument alfablokkers en 5-alfareductaseremmers.

  • Waarom minderen/stoppen: alfablokkers beperkt effectief (daling ~2,55 IPSS-punten; ≤ 3 = marginaal) en geven duizeligheid (RR 1,91), orthostase (RR 3,09), vermoeidheid → valrisico. 5-ARI: gynaecomastie, libidoverlies, erectiestoornis.
  • Afbouw: geen afbouw nodig: beide kunnen in één keer (abrupt) gestopt. Bij gecombineerd gebruik: stop eerst de alfablokker.
  • Let op: geen farmacologische rebound. Na stoppen alfablokker kunnen mictieklachten tijdelijk toenemen; bij zeer hinderlijke klachten herstarten (urineretentie voorkomen). Niet stoppen bij prostaatbloeding (5-ARI geïndiceerd) of bevestigde BPH met matig-ernstige klachten + prostaat > 40 cm³. Evalueer na 2-4 weken (IPSS).

Urologische spasmolytica

Criteria: B11, C2, G11. Bron: Kennisdocument urologische spasmolytica.

  • Waarom minderen/stoppen: muscarineantagonisten (Beers/STOPPFrail): verwardheid, acute verergering dementie/cognitie, urineretentie. Bijwerkingen vaker dan placebo (53,8% vs 41,7%); matig effectief bij urge-incontinentie, zeker > 75 jaar.
  • Afbouw: abrupt staken mag: kan in één keer gestopt, geen afbouwprocedure nodig.
  • Let op: geen onttrekking/rebound beschreven. Proefstop: leg incontinentie/mictieklachten vooraf vast, evalueer na 2-4 weken; bij recidief opnieuw 3-6 maanden behandelen. Bij blijvende hinder na stop muscarineantagonist: mirabegron overwegen (geen anticholinerge belasting).

Trombocytenaggregatieremmers

Criteria: F1, G5. Bron: Kennisdocument trombocytenaggregatieremmers.

  • Waarom minderen/stoppen: bloedingsrisico (vooral gastro-intestinaal) stijgt met leeftijd, > 75 jaar 2-4% ernstige/fatale bloedingen per jaar. Bij primaire preventie zonder hart-/vaatziekte netto negatief (NNH GI-bloeding 385) en geen mortaliteitswinst.
  • Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij duale/triple therapie gaat het om termijnen: stop P2Y12-remmer 12 maanden na ACS/PCI; bij triple therapie acetylsalicylzuur na 1 week (max 1 maand bij hoog ischemisch risico).
  • Let op: geen rebound, maar staken verhoogt het cardiovasculaire risico (CVA/infarct/sterfte ×5 in de eerste 30 dagen na staken; stenttrombose-risico hoogst eerste 30 dagen na PCI). Niet vroegtijdig staken binnen de indicatieduur tenzij ernstige bloeding (overleg specialist).

Anticoagulantia (VKA en DOAC)

Criteria: F2, G4. Bron: Kennisdocument anticoagulantia.

  • Waarom minderen/stoppen: bloedingen zijn de meest voorkomende bijwerking: jaarlijks 2-4%; intracraniële bloeding ~0,8%/jr (VKA) vs ~0,6%/jr (DOAC). Bij gering geschatte levensverwachting (< 3 maanden) weegt het preventieve effect niet op tegen het risico.
  • Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij tijdelijke indicatie stoppen na de beoogde behandelduur (uitgelokte VTE 3 maanden; idiopathisch ≥ 3 maanden).
  • Let op: geen onttrekking/rebound, maar trombo-embolisch risico stijgt sterk na stop. Niet stoppen bij (zeer) hoog trombo-embolisch risico of vrijwel alle kwetsbare ouderen met atriumfibrilleren. Beïnvloed eerst aanpasbare bloedingsrisicofactoren (hypertensie, comedicatie, alcohol, valrisico). Herbeoordeel jaarlijks.

Statines

Criterium: G1. Bron: Kennisdocument statines.

  • Waarom minderen/stoppen: het bewijs voor medicamenteuze CV-preventie neemt af met de leeftijd; bij geringe levensverwachting geen extra events/sterfte op korte termijn (60 dagen). 7-29% staakt wegens spierklachten.
  • Afbouw: geen afbouwschema nodig: kan in één keer gestopt. Bij proefstop wegens spierklachten na 4 weken evalueren; bij herstart eventueel lagere dosering of frequentie (zelfs 1×/week) opbouwen.
  • Let op: geen rebound; abrupt staken is veilig. Groot nocebo-effect bij spierklachten (4 weken statinevrij om causaliteit vast te stellen). Niet stoppen bij zeer hoog 10-jaars CV-risico (≥ 10%), < 1 jaar na myocardinfarct (stoppen geeft hogere mortaliteit) of bij onafhankelijk functionerende ouderen.

Protonpompremmers

Criterium: G6. Bron: Kennisdocument protonpompremmers.

  • Waarom minderen/stoppen: vaak chronisch gebruik zonder (nog) geldende indicatie. Langdurig gebruik: licht verhoogd risico op B12-/magnesium-/ijzer-/calciumtekort, fracturen, maag-darminfecties (o.a. C. difficile) en nierschade. Globaal kan ~30% stoppen en ~40% minderen.
  • Afbouw: niet in één keer, maar in stappen: halveer de dosis elke week tot 1 dd een halve standaarddosis, stop dat na 1 week. Lukt afbouw niet, overweeg na een jaar een nieuwe poging.
  • Let op: rebound (zuurklachten) treedt vaker op dan bij H2-antagonisten, vooral de eerste 2-4 weken. Bij klachten: 3 weken zo nodig antacidum; bij hinderlijk recidief een maand H2-antagonist. Niet stoppen bij barrettoesofagus, oesofagitis graad C/D, Zollinger-Ellison of indicatie voor maagbescherming.

Bisfosfonaten

Criterium: G8. Bron: Kennisdocument bisfosfonaten.

  • Waarom minderen/stoppen: langetermijneffect (time-to-benefit 6-12 maanden); na 5 jaar beperkte effectiviteit bij T-score > -2,5 zonder nieuwe fracturen. Langer gebruik verhoogt zeldzame ernstige bijwerkingen (kaaknecrose, atypische femurfractuur); gastro-intestinale klachten frequent.
  • Afbouw: oraal bisfosfonaat kan in één keer gestopt; afbouwen niet nodig (resteffect houdt botdichtheid maanden tot jaren vast). Denosumab mag niet zomaar stoppen: rebound(wervel)fracturen vanaf ~7 maanden na de laatste injectie, altijd nabehandeling met bisfosfonaat.
  • Let op: oraal bisfosfonaat: geen rebound, geen monitoring bij staken. Na 5 jaar gebruik: DXA/VFA-controle 2-3 jaar na staken. Niet stoppen bij blijvend hoog fractuurrisico, ≥ 3 maanden glucocorticoïden, Paget of botmetastasen/hypercalciëmie.

Calcium en vitamine D

Criterium: G7. Bron: Kennisdocument calcium en vitamine D.

  • Waarom minderen/stoppen: langetermijneffect (fractuurpreventie) heeft minimale meerwaarde bij korte levensverwachting. Calciumsuppletie geeft mogelijk dosisafhankelijk verhoogd risico op hart-/herseninfarct (niet eenduidig). Bijwerkingen: obstipatie en maag-darmklachten (tot 10%).
  • Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij kwetsbare ouderen met hoge dosering: verlaag calcium tot max 500 mg/dag.
  • Let op: geen rebound (lichaamsvoorraad). Uitzondering: bij sterk antiresorptieve middelen (zoledronaat, denosumab) niet zomaar staken (risico symptomatische hypocalciëmie). Niet stoppen bij osteoporose, corticosteroïd-geïnduceerde osteoporose, vastgestelde deficiëntie of hoog risico op vitamine-D-deficiëntie. Continueer dan vitamine D 800 IE/dag.

Bloedglucoseverlagende middelen

Criterium: G12. Bron: Kennisdocument bloedglucoseverlagende middelen.

  • Waarom minderen/stoppen: strikte glykemische instelling (HbA1c ≤ 48 mmol/mol medicamenteus) is geassocieerd met verhoogde mortaliteit; ouderen kwetsbaar voor hypoglykemie, vallen, ziekenhuisopname. Bloedglucose 6-15 mmol/l acceptabel mits klachtenvrij.
  • Afbouw: orale middelen: afbouwen of in één keer stoppen. GLP-1: bij voorkeur afbouwen. Insuline: vereenvoudigen/afbouwen/staken; < 20 EH/gift terug naar oraal/GLP-1. Tempo eens per 2 weken tot per kwartaal, in overleg met de patiënt.
  • Let op: monitor de eerste 2 weken na elke wijziging op hyperglykemie (dorst, polyurie, moeheid); HbA1c pas na 2-3 maanden. Prioriteer afbouw van SU-derivaten (hypoglykemie) en insuline. Behoud SGLT-2/GLP-1 bij hartfalen/atherosclerose/nierschade (cardiorenaal voordeel). Insuline bij DM1 nooit staken.

START-NL 2020 (bijlage, officieel vervallen)

Status. Officieel vervangen door STOP-NL V2 (dec 2025); de START-criteria sluiten al aan bij vigerende Nederlandse richtlijnen (NHG, CVRM). Deze tabel staat hier als geheugensteun voor onderbehandeling; volg voor het feitelijke beleid de actuele standaard. Bron: STOP-START-NL 2020 PDF.

Cardiovasculair

Nr.Criterium
1Cumarine of DOAC bij chronisch atriumfibrilleren (uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit)
2Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor) bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden, en sinusritme, indien geen cumarine/DOAC
3Antihypertensivum bij meermalen SBD > 150 mmHg (randvoorwaarde DBD > 70 mmHg); voorkeursmiddel per situatie (zie tabel hieronder)
4Statine bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting
5ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen) bij HFrEF en/of coronaire hartziekte
6Bètablokker na myocardinfarct of stabiele angina pectoris
7Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol) bij HFrEF

START 3: voorkeursmiddel per situatie

SituatieMedicatie
Albuminurie (albumine/creatinine > 3 mg/mmol)ACE-remmer of ARB
Eerder myocardinfarct/coronairlijdenBètablokker, ACE-remmer of ARB
Angina pectorisBètablokker, calciumantagonist
HartfalenACE-remmer of ARB, bètablokker, thiazidediureticum, aldosteronantagonist
AtriumfibrillerenBètablokker, non-dihydropyridine-calciumantagonist, ACE-remmer of ARB, aldosteronantagonist
Perifeer arterieel vaatlijdenACE-remmer
Diabetes mellitusACE-remmer of ARB
West- of Zuid-Afrikaanse afkomstDiureticum of calciumantagonist

Respiratoir

Nr.Criterium
1ICS proefbehandeling bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder; evalueer na 1 jaar en stop als exacerbaties niet afnemen

Centraal zenuwstelsel en ogen

Nr.Criterium
1Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist) bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen
2Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels bij primair openkamerhoekglaucoom
3SSRI bij persisterende ernstige angst die het dagelijks functioneren belemmert; bij contra-indicatie SNRI of pregabaline
4Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine) bij ernstig restless legs syndroom met onaccept. lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen
5SSRI ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit
6Bij antidepressivum-indicatie: kies SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline); bij TCA-keuze voorkeur voor nortriptyline (minst anticholinerg)

Gastro-intestinaal

Nr.Criterium
1PPI bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is
2aPPI bij NSAID-gebruikers
2bPPI bij acetylsalicylzuur (TAR) én: 70-80 jaar oud én tegelijk cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, systemisch corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine of trazodon; óf > 80 jaar
3Vezelsupplement of macrogol bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie

Bewegingsapparaat

Nr.Criterium
1Bisfosfonaat + vitamine D + calcium bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent)
2Vitamine D en calcium (tenzij voldoende inname) bij osteoporose
3Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide bij osteoporose (T-score ≤ -2,5)
4Xanthineoxidaseremmer (allopurinol) bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi
5Foliumzuur bij methotrexaat-gebruikers

Endocrien

Nr.Criterium
1ACE-remmer (of ARB) bij DM met nierschade (micro-albuminurie > 30 mg/24 h; eventueel gecombineerd met eGFR < 50 ml/min); pas dosering aan bij verminderde nierfunctie

Urogenitaal

Nr.Criterium
1Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst
2Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium bij symptomatische atrofische vaginitis; monitor elke 6 maanden op staken

Analgetica

Nr.Criterium
1Sterkwerkend opioïd (geen methadon) alleen bij ernstige pijn, voor korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis
2Kortwerkend opioïd bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn
3Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide) bij opioïdgebruik

Toepassing op de STAT

  • Bij een medicatiebeoordeling-casus (zie Polyfarmacie): loop achtereenvolgens STOP (welke middelen kunnen eraf?) en daarna START (welke ontbreken bij een passende indicatie?) langs.
  • Noem expliciet je redenering per criterium: groep + risico-domein (vallen, cognitie, bloeding, ...) + wat je in plaats daarvan doet of toevoegt.
  • Bij twijfel: ga uit van NHG-Standaarden + CVRM als referentie; STOP-NL V2 beperkt zich tot signaleren, niet tot behandelvoorschriften.
Copyright © 2026 Kaj Kowalski