STOP-NL en START-NL criteria
≥ 70 jaar.Kernpunten
- STOP-NL V2 is domeingericht (vallen, cognitie, mictie/defecatie, cardiovasculaire belasting, bloeding, levensverwachting), niet meer per geneesmiddelgroep zoals 2020.
- Toepasbaar bij kwetsbare ouderen
≥ 70 jaar; weeg comorbiditeit en levensverwachting mee. - De afbouwadviezen per groep komen uit de NHG-Kennisdocumenten Minderen en stoppen van medicatie; zie de toelichting per geneesmiddelgroep of de snelzoeker hieronder voor het volledige afbouwschema en de aandachtspunten per criterium.
- Toepasbaar tijdens een medicatiebeoordeling met de apotheker; ook bruikbaar bij een nieuwe klacht (val, verwardheid, obstipatie) als triggerlijst om eerst aan bijwerking of interactie te denken vóór je een middel toevoegt.
- Therapeutisch doel:
- geneesmiddelgerelateerde schade verminderen (bijwerkingen, vallen, delier, bloedingen) met behoud van functioneren en kwaliteit van leven.
- overbehandeling opheffen door middelen zonder actuele indicatie te stoppen of te verlagen.
- onderbehandeling opheffen door ontbrekende, geïndiceerde middelen te starten (klassieke START-rol; in V2 grotendeels overgegaan naar reguliere NHG-Standaarden en CVRM).
Snel zoeken
Typ een middel (NSAID, tamsulosine), een klacht (vallen, bloeding) of een
criteriumnummer (B6). Klik Toelichting voor het afbouwschema en de
aandachtspunten uit het bijbehorende Kennisdocument.
- STOP A1Elk geneesmiddel zonder bewijs gebaseerde indicatie
Stop bij ontbreken van een op bewijs gebaseerde klinische indicatie.
- STOP A2Elk geneesmiddel buiten behandeldoel
Stop wanneer het middel niet past bij het behandeldoel van de patiënt.
- STOP A3Elk geneesmiddel langer dan aanbevolen duur
Stop wanneer de behandelduur de aanbevolen termijn voor de indicatie overschrijdt.
- STOP A4Dubbelmedicatie binnen één groep
Verschillende middelen uit dezelfde geneesmiddelgroep zonder additioneel effect.
- STOP B1Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)
Valrisico door sedatie en balansverslechtering.
- STOP B2Antipsychotica
Valrisico door orthostatische hypotensie en sedatie.
- STOP B3Opioïden
Valrisico door sedatie en duizeligheid.
- STOP B4Antidepressiva
Valrisico via orthostatische hypotensie, sedatie en hyponatriëmie.
- STOP B5Anti-epileptica
Valrisico door sedatie en balansstoornissen.
- STOP B6Diuretica
Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentie.
- STOP B7Alfablokkers
Valrisico via orthostatische hypotensie.
- STOP B8Centraal werkende antihypertensiva
Clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.
- STOP B9Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)
Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.
- STOP B10Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningen
Alfablokkers, nitraten. Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid.
- STOP B11Urologische spasmolytica
Anticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheid.
- STOP C1Antidepressiva
Met name TCA's en paroxetine; sterke anticholinerge belasting.
- STOP C2Urologische spasmolytica
Anticholinerge belasting verergert cognitieve klachten en delier.
- STOP C3Antihistaminica (1e gen + hoge dosering 2e gen)
Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine. 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine.
- STOP C4Antipsychotica
Verhoogd risico op verslechtering van cognitie en delier.
- STOP C5Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2)
Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; controleer via de ACB-calculator.
- STOP C6Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon)
Verhoogd risico op sedatie, verwardheid en delier.
- STOP C7Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body)
Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmers. Bij Parkinson met Lewy body-dementie.
- STOP C8Opioïden
Verergering cognitieve stoornissen door sedatie.
- STOP C9Anti-epileptica
Verergering cognitieve stoornissen.
- STOP C10Spierrelaxantia
Baclofen, dantroleen, tizanidine. Verergering cognitieve stoornissen.
- STOP D1Lisdiuretica
Bij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentie (urgency, nycturie).
- STOP D2Inhalatieparasympathicolytica
Aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium. Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie.
- STOP D3Anticholinergica (zie C1-C5)
Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie.
- STOP D4Cholinesteraseremmers
Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij incontinentie.
- STOP D5Opioïden
Verhoogd risico op obstipatie en urineretentie.
- STOP D6Verapamil
Bij obstipatie.
- STOP D7IJzerpreparaten
Bij obstipatie. Overweeg lagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm.
- STOP E1NSAID's
Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis van vaatlijden.
- STOP E2Digoxine
Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere dosering.
- STOP E3Amiodaron
Hoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmica.
- STOP E4Klasse I- en IV-antiaritmica
Klasse IA/IC: flecainide, kinidine, propafenon. Klasse IV: diltiazem, verapamil. Bij hartfalen of combinatie met bètablokker.
- STOP E5Fosfodiësterase-5-remmers
Avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil. Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruik.
- STOP E6QT-verlengende medicatie
Zie de tabel QT-verlengende geneesmiddelen.
- STOP E7Bètablokkers
Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok.
- STOP E8Lisdiuretica
Bij perifeer oedeem zonder hartfalen.
- STOP E9Cholinesteraseremmers
Donepezil, galantamine, rivastigmine. Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok.
- STOP E10Tricyclische antidepressiva
Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten.
- STOP F1NSAID's of acetylsalicylzuur
Extra voorzichtig bij combinatie met SSRI's, TAR, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten. Overweeg maagbescherming.
- STOP F2(Dubbele) antitrombotica zonder indicatie
Combinatie TAR/anticoagulantia zonder geldige indicatie.
- STOP G1Lipidenverlagende middelen
Geen direct symptomatisch voordeel.
- STOP G2Antihypertensiva
Geen direct symptomatisch voordeel.
- STOP G3Nitraten
Bij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen geobjectiveerd coronair lijden.
- STOP G4Anticoagulantia (VKA's en DOAC's)
Heroverweeg de preventieve indicatie.
- STOP G5Trombocytenaggregatieremmers
Heroverweeg de preventieve indicatie.
- STOP G6Protonpompremmers en H2-antagonisten
Wees alert op reboundklachten bij afbouwen.
- STOP G7Vitamines en mineralen
Foliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruik.
- STOP G8Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie
Bisfosfonaten, calcium/vitamine D.
- STOP G9Systemische corticosteroïden
Bij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschreven.
- STOP G105-alfa-reductaseremmers en alfablokkers
Bij verblijfskatheter.
- STOP G11Urologische spasmolytica
Bij volledige incontinentie.
- STOP G12Bloedglucoseverlagende middelen
Heroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachting.
- START START-CV-1Cumarine of DOAC
Bij chronisch atriumfibrilleren. Uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit.
- START START-CV-2Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor)
Bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden in sinusritme, indien geen cumarine/DOAC.
- START START-CV-3Antihypertensivum
Bij meermalen SBD > 150 mmHg (DBD > 70 mmHg) na onvoldoende leefstijleffect. Bij SBD > 180 direct; bij SBD > 170 + hoog CV-risico twee bloeddrukverlagers tegelijk.
- START START-CV-4Statine
Bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting.
- START START-CV-5ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)
Bij HFrEF en/of coronaire hartziekte.
- START START-CV-6Bètablokker
Na myocardinfarct of bij stabiele angina pectoris.
- START START-CV-7Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol)
Bij HFrEF (verminderde linkerventrikelejectiefractie).
- START START-R-1Inhalatiecorticosteroïd (ICS) proefbehandeling
Bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder. Evalueer na 1 jaar; stop als exacerbaties niet afnemen.
- START START-CZS-1Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist)
Bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen.
- START START-CZS-2Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels
Bij primair openkamerhoekglaucoom.
- START START-CZS-3SSRI
Bij persisterende ernstige angst met functionele beperking. Bij contra-indicatie: SNRI of pregabaline.
- START START-CZS-4Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine)
Bij ernstig restless legs syndroom met onacceptabele lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen.
- START START-CZS-5SSRI
Ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit.
- START START-CZS-6Antidepressivum-voorkeur
Bij indicatie: SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline). Bij TCA-keuze: nortriptyline (minst anticholinerg).
- START START-GI-1Protonpompremmer
Bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is.
- START START-GI-2aProtonpompremmer
Bij NSAID-gebruikers (maagbescherming).
- START START-GI-2bProtonpompremmer bij ASA-gebruikers
Bij 70-80 jaar mét comedicatie (cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine, trazodon) of bij > 80 jaar.
- START START-GI-3Vezelsupplement of macrogol
Bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie.
- START START-BW-1Bisfosfonaat + vitamine D + calcium
Bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent).
- START START-BW-2Vitamine D en calcium
Bij osteoporose, tenzij voldoende inname.
- START START-BW-3Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide
Bij gedocumenteerde osteoporose (T-score ≤ -2,5).
- START START-BW-4Xanthineoxidaseremmer (allopurinol)
Bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi.
- START START-BW-5Foliumzuur
Bij methotrexaatgebruik.
- START START-EN-1ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen)
Bij diabetes mellitus met nierschade (microalbuminurie > 30 mg/24h; eventueel met eGFR < 50 ml/min). Pas dosering aan bij verminderde nierfunctie.
- START START-UG-1Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer
Bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst.
- START START-UG-2Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium
Bij symptomatische atrofische vaginitis. Monitor elke 6 maanden op staken.
- START START-AN-1Sterkwerkend opioïd (geen methadon)
Alleen bij ernstige pijn, korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis.
- START START-AN-2Kortwerkend opioïd
Bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn.
- START START-AN-3Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide)
Bij opioïdgebruik.
STOP-NL V2 (versie 2026)
Bron: STOP-NL V2 instrument (NHG, KNMP, SIR, Ephor; dec 2025). De kolom Afbouw vat het NHG-Kennisdocument samen; de toelichting per geneesmiddelgroep en de snelzoeker hierboven geven het volledige schema en de aandachtspunten.
A. Stoppen algemeen
Overweeg het stoppen van:
| Nr. | Geneesmiddel |
|---|---|
| A1 | Elk geneesmiddel zonder een op bewijs gebaseerde klinische indicatie |
| A2 | Elk geneesmiddel dat niet past bij het behandeldoel van de patiënt |
| A3 | Elk geneesmiddel langer dan de aanbevolen duur voor de indicatie |
| A4 | Dubbelmedicatie (verschillende middelen uit dezelfde groep zonder meerwaarde) |
B. Vallen
Genoemde groepen verhogen het valrisico via (orthostatische) hypotensie, balansverslechtering of sedatie.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| B1 | Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon) | Valrisico door sedatie en balansverslechtering | Bij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week, laatste weken 12,5% |
| B2 | Antipsychotica | Valrisico door orthostatische hypotensie en sedatie | In stappen: -25% per 1-2 weken; depot mag direct stoppen |
| B3 | Opioïden | Valrisico door sedatie en duizeligheid | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week, eerst kortwerkend |
| B4 | Antidepressiva | Valrisico via orthostase, sedatie en hyponatriëmie | Nooit abrupt, in ≥ 2-4 weken; fluoxetine mag in 1 keer |
| B5 | Anti-epileptica | Valrisico door sedatie en balansstoornissen | Stapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog |
| B6 | Diuretica | Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen of urge-incontinentie | Bij dehydratie + nierfunctieverlies acuut staken (mits geen hartfalen) |
| B7 | Alfablokkers | Valrisico via orthostatische hypotensie | Mag in 1 keer; bij combinatie eerst de alfablokker stoppen |
| B8 | Centraal werkende antihypertensiva | Clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid | Stapsgewijs, let op reboundhypertensie |
| B9 | Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen) | Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien. 1e gen: clemastine, promethazine | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| B10 | Vasodilatatoren voor cardiale aandoeningen | Alfablokkers, nitraten; bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| B11 | Urologische spasmolytica | Anticholinerge belasting; valrisico via sufheid en verwardheid | Mag in 1 keer (geen afbouwprocedure) |
C. Verminderde cognitieve functies
Overweeg stoppen bij cognitieve achteruitgang, sufheid/sedatie of delier.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| C1 | Antidepressiva | Vooral TCA's en paroxetine (anticholinerg) | Nooit abrupt, ≥ 2-4 weken; nortriptyline = minst anticholinerg |
| C2 | Urologische spasmolytica | Anticholinerge belasting verergert cognitie en delier | Mag in 1 keer; bij blijvende hinder mirabegron overwegen |
| C3 | Antihistaminica (1e gen + hoog 2e gen) | Anticholinerge belasting. 1e gen: clemastine, promethazine; 2e: (des)loratadine, (levo)cetirizine | Op indicatie; geen apart afbouwschema |
| C4 | Antipsychotica | Verslechtering van cognitie en delier | In stappen -25% per 1-2 weken; bij psychiater overleggen |
| C5 | Anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2) | Combinatie middelen met anticholinerge eigenschappen; bereken via de ACB-calculator | Stop/verlaag het zwaarst belastende middel eerst |
| C6 | Benzodiazepinen (incl. zolpidem, zopiclon) | Sedatie, verwardheid, delier | Bij gebruik > 1 maand niet abrupt: -25%/week |
| C7 | Antiparkinson-/parkinsonisme-middelen (Lewy body) | Anticholinerge tremor-middelen (biperideen, trihexyfenidyl), amantadine, dopamine-agonisten, MAO-B- en COMT-remmers | I.o.m. neuroloog; stapsgewijs |
| C8 | Opioïden | Verergering cognitie door sedatie | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week |
| C9 | Anti-epileptica | Verergering cognitie | Stapsgewijs; bij epilepsie ≥ 2-3 maanden, i.o.m. neuroloog |
| C10 | Spierrelaxantia | Baclofen, dantroleen, tizanidine; verergering cognitieve stoornissen | Stapsgewijs (onttrekking mogelijk) |
D. Mictie- en defecatieproblemen
Genoemde middelen kunnen urineretentie, incontinentie of obstipatie veroorzaken. Overweeg een alternatief of staken bij mictie- of defecatieproblemen.
| Nr. | Geneesmiddel(groep) | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| D1 | Lisdiuretica | Bij obstructieve mictieklachten of urge-incontinentie | Op indicatie; bij dehydratie acuut staken (mits geen hartfalen) |
| D2 | Inhalatieparasympathicolytica (aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, umeclidinium) | Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie | Op indicatie; overweeg alternatieve luchtwegverwijder |
| D3 | Anticholinergica (zie ook C1 t/m C5) | Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie | Zie het betreffende criterium hierboven |
| D4 | Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine) | Bij incontinentie | Stapsgewijs; herstart bij verslechtering cognitie |
| D5 | Opioïden | Bij obstipatie of urineretentie | Bij gebruik ≥ 4 weken nooit abrupt: -10-25%/week; geef laxans |
| D6 | Verapamil | Bij obstipatie | Stapsgewijs als antihypertensivum; anders op indicatie |
| D7 | IJzerpreparaten | Bij obstipatie | Lagere dosering of intraveneuze toedieningsvorm overwegen |
E. Cardiovasculaire belasting
Hogere kans op cardiovasculaire bijwerkingen, ritme- of elektrolytstoornissen.
| Nr. | Geneesmiddel(groep) | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| E1 | NSAID's | Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, of voorgeschiedenis vaatlijden | Op indicatie staken |
| E2 | Digoxine | Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Bij AF eventueel lagere dosering | Op indicatie; controleer spiegel/nierfunctie |
| E3 | Amiodaron | Hoger bijwerkingsrisico dan andere antiaritmica | Lange halfwaardetijd; effect houdt weken aan |
| E4 | Klasse I- en IV-antiaritmica (flecainide, kinidine, propafenon; diltiazem, verapamil) | Bij hartfalen of combinatie met bètablokker (klasse IV) | Op indicatie; overleg cardioloog |
| E5 | Fosfodiësterase-5-remmers (avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil) | Bij ernstig hartfalen met hypotensie of gelijktijdig nitraatgebruik | Mag in 1 keer |
| E6 | QT-verlengende medicatie | Zie de tabel QT-verlengende geneesmiddelen | Op indicatie; controleer ECG/elektrolyten |
| E7 | Bètablokkers | Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok | Altijd stapsgewijs (rebound-tachycardie/tremor) |
| E8 | Lisdiuretica | Bij perifeer oedeem zonder hartfalen | Op indicatie; let op herstel oedeem |
| E9 | Cholinesteraseremmers (donepezil, galantamine, rivastigmine) | Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok | Stapsgewijs |
| E10 | Tricyclische antidepressiva | Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten | Nooit abrupt: 25 mg per 2 weken |
F. Bloedingsrisico
Verhoogd risico op (maag)bloedingen.
| Nr. | Geneesmiddel | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| F1 | NSAID's of acetylsalicylzuur | Extra voorzichtig met SSRI's, trombocytenaggregatieremmers, anticoagulantia, corticosteroïden of aldosteronantagonisten; overweeg maagbescherming | Mag in 1 keer; weeg cardiovasculaire indicatie van ASA mee |
| F2 | (Dubbele) antitrombotica zonder indicatie | Combinatie trombocytenaggregatieremmers/anticoagulantia zonder geldige indicatie | Mag in 1 keer; let op verhoogd trombo-embolisch risico na staken |
G. Geringe resterende levensverwachting (< 1 jaar)
Overweeg te stoppen met preventieve medicatie zonder direct symptomatisch voordeel. Kwaliteit van leven staat voorop; staken mag niet leiden tot discomfort. Raadpleeg ook de Pallialine-richtlijnen.
| Nr. | Geneesmiddelgroep | Wanneer / waarom | Afbouw |
|---|---|---|---|
| G1 | Lipidenverlagende middelen | Geen direct symptomatisch voordeel | Mag in 1 keer |
| G2 | Antihypertensiva | Geen direct symptomatisch voordeel | Max 1 middel tegelijk; bètablokker stapsgewijs |
| G3 | Nitraten | Bij geen angineuze symptomen in de afgelopen 12 maanden of geen coronair lijden | Stapsgewijs bij langdurig gebruik |
| G4 | Anticoagulantia (VKA's en DOAC's) | Heroverweeg de preventieve indicatie | Mag in 1 keer; niet bij hoog trombo-embolisch risico |
| G5 | Trombocytenaggregatieremmers | Heroverweeg de preventieve indicatie | Mag in 1 keer; CV-risico stijgt eerste 30 dagen na staken (na PCI) |
| G6 | Protonpompremmers en H2-antagonisten | Wees alert op rebound (zuurklachten, eerste 2-4 weken) | Halveer wekelijks tot 1 dd halve dosis, stop daarna |
| G7 | Vitamines en mineralen | Foliumzuur wél continueren bij methotrexaatgebruik | Mag in 1 keer |
| G8 | Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie | Bisfosfonaten, calcium/vitamine D | Oraal bisfosfonaat mag in 1 keer (resteffect); denosumab niet zonder nabehandeling |
| G9 | Systemische corticosteroïden | Bij chronisch gebruik (> 2 maanden), tenzij palliatief voorgeschreven | Stapsgewijs (bijnierschorsinsufficiëntie) |
| G10 | 5-alfa-reductaseremmers en alfablokkers | Bij verblijfskatheter | Mag in 1 keer |
| G11 | Urologische spasmolytica | Bij volledige incontinentie | Mag in 1 keer |
| G12 | Bloedglucoseverlagende middelen | Heroverweeg de streefwaarden bij beperkte levensverwachting | Oraal mag in 1 keer of afbouwen; behoud SGLT-2/GLP-1 bij hartfalen/nierschade |
Toelichting per geneesmiddelgroep
≥ 70 jaar,
weeg per patiënt voor- en nadelen af.Benzodiazepinen
Criteria: B1, C6. Bron: Kennisdocument benzodiazepinen.
- Waarom minderen/stoppen: verhoogd valrisico (≈ 50% hogere valneiging, heupfractuur ~+30%) en cognitieve achteruitgang (anterograde amnesie, verwardheid); tolerantie en beperkte langetermijneffectiviteit.
- Afbouw: bij gebruik
> 1 maandniet abrupt: verlaag wekelijks met25%van de uitgangsdosis, laatste 2 weken eventueel12,5%/week. Totale afbouw hoeft niet langer dan 3 maanden. Kortdurend gebruik (< 1 maand) bij slapeloosheid mag abrupt; bij angst af in 1 week. - Let op: onttrekking (angst, prikkelbaarheid, slaapstoornis; ernstig: tremor, delirium, convulsies). Rebound-slapeloosheid 1-2 nachten. Evalueer elke 2-4 weken; bij hevige onttrekking afbouwstap een week uitstellen, dosis niet verhogen. Niet stoppen bij epilepsie, spierspasmen, psychose of palliatieve fase.
Antipsychotica
Criteria: B2, C4. Bron: Kennisdocument antipsychotica.
- Waarom minderen/stoppen: beperkt/onbewezen effect op probleemgedrag bij dementie; verhoogd risico op beroerte en mortaliteit, vallen, orthostase, sedatie, extrapiramidale en anticholinerge bijwerkingen.
- Afbouw: in stappen:
25%dosisverlaging elke1-2 weken, of50%elke2 weken, tot de laagste doseereenheid. Bij onttrekking terug naar de vorige stap en tempo halveren. Depotpreparaten mogen zonder afbouw gestopt. - Let op: onttrekking (misselijkheid, duizeligheid, rusteloosheid, agitatie, motorische stoornissen) bij 37-70% na abrupt staken. Rebound: probleemgedrag/slapeloosheid komt heftiger terug. Niet stoppen bij ernstig probleemgedrag of psychotische kenmerken bij dementie. Door psychiater voorgeschreven: altijd overleggen.
Opioïden
Criteria: B3, C8, D5. Bron: Kennisdocument opioïden.
- Waarom minderen/stoppen: bij chronische niet-kankerpijn nauwelijks
effectief; sufheid/duizeligheid (valrisico), cognitieve achteruitgang/delier,
obstipatie, hyperalgesie, verslaving. Fractuurrisico fors verhoogd (alle
fracturen +88%, heupfractuur +100%); dosis
≥ 90 mg morfine-equivalentverhoogt mortaliteit. - Afbouw: nooit abrupt bij gebruik
≥ 4 weken. Snel:-20-25%/week; langzaam:-10-15%/week. Bij kwetsbare ouderen voorkeur langzaam (elke week-10-25%). Bouw eerst het kortwerkende, dan het langwerkende opioïd af. Bij hyperalgesie kan de dosis-50%. - Let op: onttrekking (onrust, spierpijn, tranende ogen, loopneus, misselijkheid, diarree, zweten): kortwerkend binnen uren (piek dag 4), langwerkend start dag 2-4 (max ~10 dagen). Ouderen ernstiger beloop. Symptoombehandeling: loperamide, clonidine, metoclopramide; vermijd benzodiazepinen.
Antidepressiva
Criteria: B4, C1, E10. Bron: Kennisdocument antidepressiva.
- Waarom minderen/stoppen: beperkte effectiviteit bij ouderen
≥ 70 jaar(SSRI geen significant effect vs placebo bij milde/matige depressie); TCA-anticholinerg, orthostase, hyponatriëmie, valrisico. Bij dementie elke 3 maanden evalueren. - Afbouw: altijd in stappen, nooit abrupt: regulier
≥ 2-4 weken; trager hyperbool (stap≥ 1 week) bij risicofactoren voor onttrekking. TCA:25 mgper2 weken. Fluoxetine20 mgmag in één keer (lange halfwaardetijd). MAO-remmers alleen i.o.m. psychiater. - Let op: onttrekking (FINISH-symptomen): binnen dagen, meestal mild, weg
binnen weken. Terugval/recidief ontstaat geleidelijker (
> 1 weekna afbouw). Niet stoppen bij therapieresistente depressie, andere psychiatrische indicatie of eerdere mislukte stoppoging. Nortriptyline = voorkeur-TCA; sertraline/citalopram = voorkeur-SSRI.
Anti-epileptica
Criteria: B5, C9. Bron: Kennisdocument anti-epileptica.
- Waarom minderen/stoppen: ouderen gevoeliger voor bijwerkingen: sufheid, valrisico (OR 3-4,7 voor herhaald vallen), osteoporose/fracturen (enzyminductie), hyponatriëmie, tremor, cognitieve achteruitgang. Verminderde nier-/leverfunctie geeft hogere spiegels.
- Afbouw: altijd stapsgewijs, kleine stappen per week. Neuropathische pijn en
migraine: in
2-8 weken. Epilepsie: minimaal2-3 maanden(i.o.m. neuroloog); fenobarbital/barbituraten minimaal6 maanden. Geen abrupt staken. - Let op: onttrekking vaak binnen 48 uur (slapeloosheid, hoofdpijn, misselijkheid, griepachtig, nervositeit). Te snel stoppen kan aanvallen uitlokken; bij aanval afbouw direct staken en terug naar de vorige effectieve dosering. Niet stoppen bij epilepsie ontstaan op hogere leeftijd (recidiefkans 47-93%). Psychiatrische indicatie: voorschrijver betrekken.
Bloeddrukverlagende middelen
Criteria: B6, B8, D1, E7, E8, G2. Bron: Kennisdocument bloeddrukverlagende middelen 2026.
- Waarom minderen/stoppen:
DBD < 70 mmHgverhoogt cardiale events en mortaliteit; orthostatische hypotensie bij 25-30% van de 70-plussers op antihypertensiva (val/fractuur). BijSBD < 130 mmHgmet≥ 2 middelengeen winst, wel hogere mortaliteit (HR 1,81). - Afbouw: maximaal 1 middel per keer. Bètablokkers altijd stapsgewijs
(rebound-tachycardie/tremor); andere antihypertensiva mogen abrupt of
stapsgewijs (
-25-50%per stap tot de startdosering). Bij (dreigende) dehydratie + verminderde nierfunctie diuretica acuut staken (mits geen hartfalen). - Let op: monitor SBD (
< 180) en DBD (< 110). Rebound: reboundhypertensie (RAAS/alfablokkers), tachycardie/tremor (bètablokkers), verergering hartfalen/oedeem (diuretica). Evalueer 2-4 weken na stop. Niet stoppen bij andere indicatie dan hypertensie (angina, hartfalen, post-MI, post-CVA, AF, albuminurie).
Alfablokkers en 5-alfareductaseremmers
Criteria: B7, G10. Bron: Kennisdocument alfablokkers en 5-alfareductaseremmers.
- Waarom minderen/stoppen: alfablokkers beperkt effectief (daling ~2,55 IPSS-punten; ≤ 3 = marginaal) en geven duizeligheid (RR 1,91), orthostase (RR 3,09), vermoeidheid → valrisico. 5-ARI: gynaecomastie, libidoverlies, erectiestoornis.
- Afbouw: geen afbouw nodig: beide kunnen in één keer (abrupt) gestopt. Bij gecombineerd gebruik: stop eerst de alfablokker.
- Let op: geen farmacologische rebound. Na stoppen alfablokker kunnen
mictieklachten tijdelijk toenemen; bij zeer hinderlijke klachten herstarten
(urineretentie voorkomen). Niet stoppen bij prostaatbloeding (5-ARI
geïndiceerd) of bevestigde BPH met matig-ernstige klachten + prostaat
> 40 cm³. Evalueer na 2-4 weken (IPSS).
Urologische spasmolytica
Criteria: B11, C2, G11. Bron: Kennisdocument urologische spasmolytica.
- Waarom minderen/stoppen: muscarineantagonisten (Beers/STOPPFrail):
verwardheid, acute verergering dementie/cognitie, urineretentie. Bijwerkingen
vaker dan placebo (53,8% vs 41,7%); matig effectief bij urge-incontinentie,
zeker
> 75 jaar. - Afbouw: abrupt staken mag: kan in één keer gestopt, geen afbouwprocedure nodig.
- Let op: geen onttrekking/rebound beschreven. Proefstop: leg incontinentie/mictieklachten vooraf vast, evalueer na 2-4 weken; bij recidief opnieuw 3-6 maanden behandelen. Bij blijvende hinder na stop muscarineantagonist: mirabegron overwegen (geen anticholinerge belasting).
Trombocytenaggregatieremmers
Criteria: F1, G5. Bron: Kennisdocument trombocytenaggregatieremmers.
- Waarom minderen/stoppen: bloedingsrisico (vooral gastro-intestinaal) stijgt
met leeftijd,
> 75 jaar2-4% ernstige/fatale bloedingen per jaar. Bij primaire preventie zonder hart-/vaatziekte netto negatief (NNH GI-bloeding 385) en geen mortaliteitswinst. - Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij duale/triple
therapie gaat het om termijnen: stop P2Y12-remmer
12 maandenna ACS/PCI; bij triple therapie acetylsalicylzuur na1 week(max1 maandbij hoog ischemisch risico). - Let op: geen rebound, maar staken verhoogt het cardiovasculaire risico
(CVA/infarct/sterfte ×5 in de eerste
30 dagenna staken; stenttrombose-risico hoogst eerste30 dagenna PCI). Niet vroegtijdig staken binnen de indicatieduur tenzij ernstige bloeding (overleg specialist).
Anticoagulantia (VKA en DOAC)
Criteria: F2, G4. Bron: Kennisdocument anticoagulantia.
- Waarom minderen/stoppen: bloedingen zijn de meest voorkomende bijwerking:
jaarlijks 2-4%; intracraniële bloeding ~0,8%/jr (VKA) vs ~0,6%/jr (DOAC). Bij
gering geschatte levensverwachting (
< 3 maanden) weegt het preventieve effect niet op tegen het risico. - Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij tijdelijke
indicatie stoppen na de beoogde behandelduur (uitgelokte VTE
3 maanden; idiopathisch≥ 3 maanden). - Let op: geen onttrekking/rebound, maar trombo-embolisch risico stijgt sterk na stop. Niet stoppen bij (zeer) hoog trombo-embolisch risico of vrijwel alle kwetsbare ouderen met atriumfibrilleren. Beïnvloed eerst aanpasbare bloedingsrisicofactoren (hypertensie, comedicatie, alcohol, valrisico). Herbeoordeel jaarlijks.
Statines
Criterium: G1. Bron: Kennisdocument statines.
- Waarom minderen/stoppen: het bewijs voor medicamenteuze CV-preventie neemt af met de leeftijd; bij geringe levensverwachting geen extra events/sterfte op korte termijn (60 dagen). 7-29% staakt wegens spierklachten.
- Afbouw: geen afbouwschema nodig: kan in één keer gestopt. Bij proefstop
wegens spierklachten na 4 weken evalueren; bij herstart eventueel lagere
dosering of frequentie (zelfs
1×/week) opbouwen. - Let op: geen rebound; abrupt staken is veilig. Groot nocebo-effect bij
spierklachten (4 weken statinevrij om causaliteit vast te stellen). Niet
stoppen bij zeer hoog 10-jaars CV-risico (
≥ 10%),< 1 jaarna myocardinfarct (stoppen geeft hogere mortaliteit) of bij onafhankelijk functionerende ouderen.
Protonpompremmers
Criterium: G6. Bron: Kennisdocument protonpompremmers.
- Waarom minderen/stoppen: vaak chronisch gebruik zonder (nog) geldende indicatie. Langdurig gebruik: licht verhoogd risico op B12-/magnesium-/ijzer-/calciumtekort, fracturen, maag-darminfecties (o.a. C. difficile) en nierschade. Globaal kan ~30% stoppen en ~40% minderen.
- Afbouw: niet in één keer, maar in stappen: halveer de dosis elke week tot
1 ddeen halve standaarddosis, stop dat na 1 week. Lukt afbouw niet, overweeg na een jaar een nieuwe poging. - Let op: rebound (zuurklachten) treedt vaker op dan bij H2-antagonisten, vooral de eerste 2-4 weken. Bij klachten: 3 weken zo nodig antacidum; bij hinderlijk recidief een maand H2-antagonist. Niet stoppen bij barrettoesofagus, oesofagitis graad C/D, Zollinger-Ellison of indicatie voor maagbescherming.
Bisfosfonaten
Criterium: G8. Bron: Kennisdocument bisfosfonaten.
- Waarom minderen/stoppen: langetermijneffect (time-to-benefit 6-12 maanden);
na 5 jaar beperkte effectiviteit bij
T-score > -2,5zonder nieuwe fracturen. Langer gebruik verhoogt zeldzame ernstige bijwerkingen (kaaknecrose, atypische femurfractuur); gastro-intestinale klachten frequent. - Afbouw: oraal bisfosfonaat kan in één keer gestopt; afbouwen niet nodig (resteffect houdt botdichtheid maanden tot jaren vast). Denosumab mag niet zomaar stoppen: rebound(wervel)fracturen vanaf ~7 maanden na de laatste injectie, altijd nabehandeling met bisfosfonaat.
- Let op: oraal bisfosfonaat: geen rebound, geen monitoring bij staken. Na
5 jaar gebruik: DXA/VFA-controle 2-3 jaar na staken. Niet stoppen bij blijvend
hoog fractuurrisico,
≥ 3 maandenglucocorticoïden, Paget of botmetastasen/hypercalciëmie.
Calcium en vitamine D
Criterium: G7. Bron: Kennisdocument calcium en vitamine D.
- Waarom minderen/stoppen: langetermijneffect (fractuurpreventie) heeft minimale meerwaarde bij korte levensverwachting. Calciumsuppletie geeft mogelijk dosisafhankelijk verhoogd risico op hart-/herseninfarct (niet eenduidig). Bijwerkingen: obstipatie en maag-darmklachten (tot 10%).
- Afbouw: geen afbouw nodig: kan in één keer gestopt. Bij kwetsbare ouderen
met hoge dosering: verlaag calcium tot max
500 mg/dag. - Let op: geen rebound (lichaamsvoorraad). Uitzondering: bij sterk
antiresorptieve middelen (zoledronaat, denosumab) niet zomaar staken (risico
symptomatische hypocalciëmie). Niet stoppen bij osteoporose,
corticosteroïd-geïnduceerde osteoporose, vastgestelde deficiëntie of hoog
risico op vitamine-D-deficiëntie. Continueer dan vitamine D
800 IE/dag.
Bloedglucoseverlagende middelen
Criterium: G12. Bron: Kennisdocument bloedglucoseverlagende middelen.
- Waarom minderen/stoppen: strikte glykemische instelling
(
HbA1c ≤ 48 mmol/molmedicamenteus) is geassocieerd met verhoogde mortaliteit; ouderen kwetsbaar voor hypoglykemie, vallen, ziekenhuisopname. Bloedglucose6-15 mmol/lacceptabel mits klachtenvrij. - Afbouw: orale middelen: afbouwen of in één keer stoppen. GLP-1: bij
voorkeur afbouwen. Insuline: vereenvoudigen/afbouwen/staken;
< 20 EH/giftterug naar oraal/GLP-1. Tempo eens per 2 weken tot per kwartaal, in overleg met de patiënt. - Let op: monitor de eerste 2 weken na elke wijziging op hyperglykemie (dorst, polyurie, moeheid); HbA1c pas na 2-3 maanden. Prioriteer afbouw van SU-derivaten (hypoglykemie) en insuline. Behoud SGLT-2/GLP-1 bij hartfalen/atherosclerose/nierschade (cardiorenaal voordeel). Insuline bij DM1 nooit staken.
START-NL 2020 (bijlage, officieel vervallen)
Cardiovasculair
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Cumarine of DOAC bij chronisch atriumfibrilleren (uitzondering: mannen 65-75 jaar zonder CV-comorbiditeit) |
| 2 | Trombocytenaggregatieremmer (ASA, clopidogrel, prasugrel, ticagrelor) bij coronair, cerebraal of perifeer arterieel vaatlijden, en sinusritme, indien geen cumarine/DOAC |
| 3 | Antihypertensivum bij meermalen SBD > 150 mmHg (randvoorwaarde DBD > 70 mmHg); voorkeursmiddel per situatie (zie tabel hieronder) |
| 4 | Statine bij CV-voorgeschiedenis én LDL > 2,5 mmol/l én voldoende resterende levensverwachting |
| 5 | ACE-remmer (of ARB bij bijwerkingen) bij HFrEF en/of coronaire hartziekte |
| 6 | Bètablokker na myocardinfarct of stabiele angina pectoris |
| 7 | Cardioselectieve bètablokker (metoprolol, bisoprolol, nebivolol) bij HFrEF |
START 3: voorkeursmiddel per situatie
| Situatie | Medicatie |
|---|---|
Albuminurie (albumine/creatinine > 3 mg/mmol) | ACE-remmer of ARB |
| Eerder myocardinfarct/coronairlijden | Bètablokker, ACE-remmer of ARB |
| Angina pectoris | Bètablokker, calciumantagonist |
| Hartfalen | ACE-remmer of ARB, bètablokker, thiazidediureticum, aldosteronantagonist |
| Atriumfibrilleren | Bètablokker, non-dihydropyridine-calciumantagonist, ACE-remmer of ARB, aldosteronantagonist |
| Perifeer arterieel vaatlijden | ACE-remmer |
| Diabetes mellitus | ACE-remmer of ARB |
| West- of Zuid-Afrikaanse afkomst | Diureticum of calciumantagonist |
Respiratoir
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | ICS proefbehandeling bij COPD met frequente exacerbaties (≥ 2/jaar) ondanks langwerkende luchtwegverwijder; evalueer na 1 jaar en stop als exacerbaties niet afnemen |
Centraal zenuwstelsel en ogen
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Antiparkinsonmiddel (levodopa/decarboxylaseremmer of dopamine-agonist) bij ziekte van Parkinson met functionele beperkingen |
| 2 | Prostaglandine-analoog of bètablokker als oogdruppels bij primair openkamerhoekglaucoom |
| 3 | SSRI bij persisterende ernstige angst die het dagelijks functioneren belemmert; bij contra-indicatie SNRI of pregabaline |
| 4 | Dopamine-agonist (ropinirol, pramipexol, rotigotine) bij ernstig restless legs syndroom met onaccept. lijdensdruk; alleen na uitsluiten ijzertekort en ernstig nierfalen |
| 5 | SSRI ter behandeling van depressie bij patiënten met suïcidaliteit |
| 6 | Bij antidepressivum-indicatie: kies SSRI met lage interactiekans ((es)citalopram of sertraline); bij TCA-keuze voorkeur voor nortriptyline (minst anticholinerg) |
Gastro-intestinaal
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | PPI bij ernstige gastro-oesofageale refluxziekte of peptische strictuur waarvoor dilatatie nodig is |
| 2a | PPI bij NSAID-gebruikers |
| 2b | PPI bij acetylsalicylzuur (TAR) én: 70-80 jaar oud én tegelijk cumarine, DOAC, P2Y12-remmer, heparine, systemisch corticosteroïd, spironolacton, SSRI, venlafaxine, duloxetine of trazodon; óf > 80 jaar |
| 3 | Vezelsupplement of macrogol bij chronische symptomatische diverticulose met obstipatie |
Bewegingsapparaat
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Bisfosfonaat + vitamine D + calcium bij > 3 maanden onderhoudstherapie met ≥ 7,5 mg prednison/dag (of equivalent) |
| 2 | Vitamine D en calcium (tenzij voldoende inname) bij osteoporose |
| 3 | Bisfosfonaten, denosumab of teriparatide bij osteoporose (T-score ≤ -2,5) |
| 4 | Xanthineoxidaseremmer (allopurinol) bij recidiverende jicht (> 3/jaar) of jichttophi |
| 5 | Foliumzuur bij methotrexaat-gebruikers |
Endocrien
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | ACE-remmer (of ARB) bij DM met nierschade (micro-albuminurie > 30 mg/24 h; eventueel gecombineerd met eGFR < 50 ml/min); pas dosering aan bij verminderde nierfunctie |
Urogenitaal
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Alfa-1-blokker of 5-alfa-reductaseremmer bij symptomatisch prostatisme, indien prostatectomie onnodig of ongewenst |
| 2 | Vaginaal oestrogeen of oestrogeenpessarium bij symptomatische atrofische vaginitis; monitor elke 6 maanden op staken |
Analgetica
| Nr. | Criterium |
|---|---|
| 1 | Sterkwerkend opioïd (geen methadon) alleen bij ernstige pijn, voor korte duur, indien paracetamol/NSAID/zwakker opioïd niet effectief of gecontra-indiceerd; streef naar paracetamol als basis |
| 2 | Kortwerkend opioïd bij behandeling met langwerkend opioïd, voor doorbraakpijn |
| 3 | Laxeermiddel (macrogol, lactulose, magnesiumhydroxide) bij opioïdgebruik |
Toepassing op de STAT
- Bij een medicatiebeoordeling-casus (zie Polyfarmacie): loop achtereenvolgens STOP (welke middelen kunnen eraf?) en daarna START (welke ontbreken bij een passende indicatie?) langs.
- Noem expliciet je redenering per criterium: groep + risico-domein (vallen, cognitie, bloeding, ...) + wat je in plaats daarvan doet of toevoegt.
- Bij twijfel: ga uit van NHG-Standaarden + CVRM als referentie; STOP-NL V2 beperkt zich tot signaleren, niet tot behandelvoorschriften.
Bronnen
- STOP-NL V2 instrument (PDF, NHG, dec 2025): domeingericht
voor kwetsbare ouderen
≥ 70 jaar. - Themapagina STOP-NL V2 op NHG.org: context en autorisatiedatum.
- STOP-START-NL 2020 PDF: voorgaande versie, bevat de START-criteria.
- Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen (richtlijnen.nhg.org): hoofdrichtlijn met alle Kennisdocumenten "Minderen en stoppen van medicatie" (per geneesmiddelgroep, bron van de afbouwadviezen).
- Internationale referentie: O'Mahony D et al. STOPP/START criteria for potentially inappropriate prescribing in older people: version 3. Eur Geriatr Med 2023;14(4):625-632.
- Verwante FarmaKaj-pagina's: Polyfarmacie (standaardtherapie); Polyfarmacie (NHG-samenvatting).
Wondinfectie
Twee STAT-oefencasussen over een geïnfecteerde, gehechte snijwond met cellulitis, met SMAK-beleid, recept (flucloxacilline of bij penicilline-allergie claritromycine/clindamycine) en kennisvragen.
E-learnings
Toegankelijke samenvattingen van externe e-learning-modules uit de master Geneeskunde, hervormd naar scanbare prose en tabellen.